Hofjes van Staats en Noblet

Home / Alle Themas / Hofjes van Staats en Noblet    |    Terug

Hofje van Staats
De garenhandelaar IJsbrand Staats stierf kinderloos op 11 november 1729. In zijn testament werd bepaald dat een groot deel van zijn nalatenschap bestemd zou worden voor het stichten van een hofje, waar arme en hulpbehoevende Hervormde (protestant) vrouwen in opgenomen konden worden. 

In 1730 gaven de Burgemeesteren van Haarlem toestemming aan de executeurs (de personen die zorgt dat het testament wordt nageleefd) om een hofje te laten bouwen aan de Jansweg. Cornelis Staats, broer van IJsbrand, legde de eerste steen. In 1731 was het gebouw klaar en konden 29 vrouwen er gaan wonen; een opzichter of opzichteres woonde in het hoofdgebouw. De vier executeurs werden, zoals in het testament staat vastgelegd, de eerste vier regenten: Samuel van Gog, Zacharias Hasius, Aalst de Bruyn en Pieter van der Windt.

De bewoonsters kregen geld, levensmiddelen en brandstof en aanvankelijk ook gratis medische verzorging, waarvoor de regenten een dokter hadden aangesteld. Zij konden begraven worden in de Janskerk, waar het hofje graven had gekocht of gehuurd. Haar bezittingen waren voor de erfgenamen. Enkele bewoonsters maakten echter het hofje tot mede-erfgenaam.

Hofje van Noblet
Het hofje van Noblet is gesticht uit de nalatenschap van Leonard, Sara en Geertruyd Noblet, kinderen van Eleazar Noblet en Gerritje Binkhorst. In 1738 verhuisde Eleazar, die weduwnaar was sinds 1728, met de drie genoemde kinderen van Amsterdam naar Haarlem, waar hij in 1737 een huis gekocht had op de hoek van het Spaarne en de Nieuwe Gracht, met de naam "Haerlem- en Spaargesigt" in de gevel. Hij bezat ook een blekerij in Bennebroek en stierf in 1739. Leonard, Sara en Geertruyd bepaalden in hun gemeenschappelijk testament dat de nalatenschap van de langstlevende van hun drieën bestemd zou worden om een hofje te laten bouwen voor tien Amsterdamse en tien Haarlemse Hervormde (protestant) vrouwen.

Het hofje werd gebouwd aan de Nieuwe Gracht naast het herenhuis. In 1761 was het hofje klaar en konden de bewoonsters het betrekken. De bewoonsters van het hofje van Noblet konden begraven worden in de Grote Kerk, waar het hofje graven gekocht en gehuurd had.

Geschiedenislokaal023

Hofjes van Staats en Noblet

Omschrijving

Hofje van Staats
De garenhandelaar IJsbrand Staats stierf kinderloos op 11 november 1729. In zijn testament werd bepaald dat een groot deel van zijn nalatenschap bestemd zou worden voor het stichten van een hofje, waar arme en hulpbehoevende Hervormde (protestant) vrouwen in opgenomen konden worden. 

In 1730 gaven de Burgemeesteren van Haarlem toestemming aan de executeurs (de personen die zorgt dat het testament wordt nageleefd) om een hofje te laten bouwen aan de Jansweg. Cornelis Staats, broer van IJsbrand, legde de eerste steen. In 1731 was het gebouw klaar en konden 29 vrouwen er gaan wonen; een opzichter of opzichteres woonde in het hoofdgebouw. De vier executeurs werden, zoals in het testament staat vastgelegd, de eerste vier regenten: Samuel van Gog, Zacharias Hasius, Aalst de Bruyn en Pieter van der Windt.

De bewoonsters kregen geld, levensmiddelen en brandstof en aanvankelijk ook gratis medische verzorging, waarvoor de regenten een dokter hadden aangesteld. Zij konden begraven worden in de Janskerk, waar het hofje graven had gekocht of gehuurd. Haar bezittingen waren voor de erfgenamen. Enkele bewoonsters maakten echter het hofje tot mede-erfgenaam.

Hofje van Noblet
Het hofje van Noblet is gesticht uit de nalatenschap van Leonard, Sara en Geertruyd Noblet, kinderen van Eleazar Noblet en Gerritje Binkhorst. In 1738 verhuisde Eleazar, die weduwnaar was sinds 1728, met de drie genoemde kinderen van Amsterdam naar Haarlem, waar hij in 1737 een huis gekocht had op de hoek van het Spaarne en de Nieuwe Gracht, met de naam "Haerlem- en Spaargesigt" in de gevel. Hij bezat ook een blekerij in Bennebroek en stierf in 1739. Leonard, Sara en Geertruyd bepaalden in hun gemeenschappelijk testament dat de nalatenschap van de langstlevende van hun drieën bestemd zou worden om een hofje te laten bouwen voor tien Amsterdamse en tien Haarlemse Hervormde (protestant) vrouwen.

Het hofje werd gebouwd aan de Nieuwe Gracht naast het herenhuis. In 1761 was het hofje klaar en konden de bewoonsters het betrekken. De bewoonsters van het hofje van Noblet konden begraven worden in de Grote Kerk, waar het hofje graven gekocht en gehuurd had.